Blog posts   << Previous post | Next post >>

Post

Posted 16 May 1993

English

Joost Meuwissen, ‘Maas, van Rijs & De Vries’, De Kracht van Heden. Catalogus. Redactie Kirsten Algera, Cato Cramer, Mayke Jongsma, Hester Wolters (Amsterdam: Stichting Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst, 1993), 155-160.

Berlin Voids. Ich bin kein Berliner

[156]
Joost Meuwissen

Twee jaar geleden winnen Winy Maas, Jacob van Rijs en Nathalie de Vries de prijsvraag Europan-2 in Berlijn. Europan is een ontwerpwedstrijd onder jonge architecten voor woningbouw op verschillende locaties in Europa. Het is de bedoeling dat een winnend ontwerp wordt gebouwd. Voor de drie pas afgestudeerde architecten aanleiding, naast vanaf dat moment binnenstromende opdrachten, hun tijdelijke samenwerking om te zetten in een architectenbureau met startstipendium in een van de levendigste post-industriële rafelgebieden van het land: Vierhaven in Rotterdam, tegenover loodsen vol geurige sinaasappels, pastelgetinte woontorens van architectenbureau Mecanoo en het atelier van beeldend kunstenaar Henk Tas. Nathalie de Vries werkt ernaast nog bij Mecanoo. De beide andere architecten bij Rem Koolhaas' Office for Metropolitan Architecture OMA stroomopwaarts aan de Boompjes.
Een presentatiesubsidie zorgde ervoor dat op de Europantentoonstelling in Madrid, op verzoek van de organisatie, een nadere uitwerking van woningtype en gevel kon worden getoond, in maquette op staalplaat van gegoten polyester en gewapend beton en computersimulaties van interieurs en gevel. Dit was geen overbodige luxe. Niet dat het project ingewikkeld is, maar door half-doorzichtigheid van het bouwvolume en het idee van de woning hierin als een soort restruimte was het moeilijk te achterhalen hoe het er precies uit zou zien. Het is de nieuwheid van het project, dat niet of nauwelijks naar bestaande en bekende voorbeelden verwijst. Het bijzondere van de samenwerking van de drie architecten zou kunnen zijn dat het analytisch geoptimaliseerde karakter van Mecanoo-woningbouw, gestileerd tot op de grens van 'geleefd geluk', kon worden getoetst aan Rem Koolhaas' gewaagdere stellingen over hoe bouwblok of gebouw in de stad verschijnt, in zekere zin als 'huis met geen stijl'. Getypeerd overdesign maar zonder stijl leidt ertoe dat alle architectonische elementen, niet alleen trappen en kolommen maar ook wanden en vloeren als meubilair verschijnen waarlangs en waartussen het wonen zich afspeelt. In een van de computersimulaties staat een zo te zien gelukkig en allochtoon gezin met vier kinderen in hun huis dat ook zonder meubels volledig meubilair is. Het gebouw is een woonmachine, maar een waarvan alle architectuur is teruggebracht tot wonen, tot meubelstuk. Het gebouw is een container gevuld met wonen, wat herinnert aan het negentiende-eeuwse stedelijke bouwblok dat geen samenvoeging van verkavelde huizen was maar als week en zacht volume passief de rooilijnen en het stratenverloop volgde, welke vorm het erdoor ook kreeg, dat met wonen gevuld was maar de woningen, hun breedte en hoogte, hun kamers, hun type en hun relaties niet in de gevel tot uitdrukking bracht. Prenzlauerberg in Berlijn is er een wat barse variant van.
Gelegen op het hoekje van de wijk heeft het terrein wel de vorm van de regelmatige, langwerpige gesloten blokken met hoven, alsof uit een voortgaande stedelijke structuur een hoekje is uitgespaard, alsof het bouwblok op de hoek van de wijk later weer afgebroken was, maar het is nooit bebouwd geweest. Het was altijd beschikbaar voor openbaar gebruik. Om het zo te houden situeren de architecten het programma aan de buitenranden, extensieve functies zoals een markt voor lokale handelaars, warenhuis, bouwbenodigdheden, cafés en parkeergarage aan de lange kant onder het oplopende dak waarop de oprit van de brug over het voormalige Muurtracee naar het westen en aan de korte kant langs het grote open gebied waar eens de Muur stond het wonen met voorzieningen en intensieve functies zoals kantoren. De architecten vinden dat het lege gebied van de Muur gereserveerd zou kunnen blijven voor grootschalige functies waarvoor in de omringende stadsstructuren geen plaats is, zoals 'verkeerssystemen, volkstuinen, winkelcentra, patiohuizen, golfbanen, parkeerterreinen en hoogbouw'. Bestaande wijkstructuren, de blokken van de Prenzlauerberg, uitbreiden over het verlaten Muurgebied heen, om een continuïteit van de stad te restaureren die in deze vorm nooit heeft bestaan, zou niet wenselijk zijn. Terwijl de architecten de openbare functies plaatsen aan de straat of liever, onder de straat, niet meer in horizontale maar in verticale belending, alsof het stratenpatroon een bouwwerk was om de ruimte van de bouwblokken heen, wat het als architectonische bepaling in feite ook altijd geweest is, wordt in de hoogbouwschijf met private functies langs het grote open Muurgebied het negentiende-eeuwse bouwblok gerepresenteerd. Van liggend wordt als het ware het bouwblok staand. Het wordt in de woorden van de architecten een 'standbeeld', niet voor maar van de wijk. Het blok richt zich op om zijn architectonische inhoud te tonen. Van het blok wordt niet vorm of stijl maar alleen het begrip, de logica, bewaard. In dit opzicht is het project niet alleen geen onwenselijke uitbreiding van de bestaande blokkenstructuur maar ook niet de vervanging ervan door iets anders, door iets nieuws. Het is geen alternatief maar een ingewikkelde, althans niet letterlijke herhaling, een abstractie, een architectonisch begrip.
Van exterieur wordt alles interieur, dat zich zonder veel gevel aandient. Of omgekeerd, het interieur komt aan de oppervlakte, aan de buitenkant om alle herinnering aan de scanderingen, ritmeringen of liniëringen van een tectonische gevelorde teniet te doen. Wat voorheen de anoniem gestileerde straatgevel van het bouwblok was wordt nu niet meer dan de toevallige contour die hij altijd al was van een uitbreidbaar bouwlichaam dat alleen ophoudt omdat het terrein het doet. Op grond van deze breedte wordt binnen de ondiepte van de schijf de hoogte bepaald door het gewenste woon- en kantoorvolume plus binnenhoven. Zoals in het bouwblok worden in de schijf hoven uitgehold, voor de entree, tuin van de conciërge, squash en sauna, speelplaats, partyterras en 'spleettuinen' voor de kantoren, tot op het punt dat holte en volte, de 'gaten' en de stof, afwezigheid en aanwezigheid van het wonen als gelatine-achtig materiaal, tot een wankel evenwicht zijn gebracht. Bij minder uitholling zouden de gaten te tectonisch worden, te veel gevelorde, te veel lijn of raam. De schijf zou te volumineus blijven. En bij verdere uitholling zou de pudding van het wonen te veel vorm aannemen of het gebouw zou lijken in te storten. Het zou te dynamisch worden, ten koste van de passieve extensiviteit van de inhoud ervan. In dit opzicht is de vorm van het bouwwerk niet het resultaat van vormgeving of stijl maar een logisch bepaald, begripsmatig optimum.
Iets eenders geldt voor de constructie. Het overgebleven, eenmaal uitgeholde materiaal van de schijf valt samen met de betonnen draagconstructie die aan één kant van de schijf zich als vlak volledig over het resterende bouwvolume uitbreidt. Constructie en gevel zijn hier één, zoals aan de andere zijde wonen en gevel identiek zijn. Aan de ene kant heerst slechts de half doorzichtige gelatine van een half doorzichtig wonen, helder maar onbepaald. Aan de andere kant wordt uitgestort wat Rem Koolhaas in Delirious New York stollend braaksel noemde, wat beton nu eenmaal is, obscuur maar bepaald. Het mooie is dat als je de schijf als bouwblok liggend neergeklapt op het terrein denkt, de betonnen draagconstructie, het dragend vlak, zogezegd het draagvlak, samenvalt met wat heet het bebouwd oppervlak. Bouwen als bezigheid en dragen als bezigheid vullen gelijkelijk hetzelfde vlak.
In menig opzicht herinnert het project aan Rem Koolhaas' ontwerp voor de Bibliothèque de France van twee jaar ervoor, waar in een semi-transparant en gevelloos, volledig door boeken gevuld rechthoekig volume leeszalen in verschillende, de zwaartekracht tartende vormen waren uitgehold. Eigenlijk negatieve maar vrije volumes, een soort luchtbellen die half opdoemen in een stroperig aquarium. Het verschil is dat het Berlijnse project een vlakke schijf is maar ook dat het in zijn bepaaldheden refereert aan een architectonisch begrip, het negentiende-eeuwse bouwblok, en niet zoals de Parijse bibliotheek aan het universum[1]. De uitputtende Franse boekenstapel was dan ook een publiek transcendentaal object waarvan de grenzen niet wijd genoeg getrokken kunnen worden, terwijl Berlijnse woningen als privaat transcendentaal object zich naar binnen zouden kunnen keren. Maar hieruit volgt een derde onderscheid, waardoor het Berlijnse project zich aandient als een belangrijke stap in wat Rem Koolhaas noemt de 'aggressieve exploratie' van de nieuwe vrijheid die bouwkunst heeft door de 'omwenteling in de electronica'. Parijse boeken konden als vloeibaar bulkgoed verschijnen omdat elk boek anders is. Maar om een container gevuld met wonen te worden en geen despotische structuur of textuur die onvermijdelijk zou terugvoeren tot tectoniek, moeten Berlijnse woningen hun individualiteit nog bewijzen. De moeilijkheid is dat een woning zowel inwendige ruimte als in het blok te herhalen woonvolume is. Een woning is als het ware tegelijkertijd leeszaal en boek.
Zo min als het ideale boek dat alle andere overbodig maakt, zo weinig wenselijk is de ideale woning: 'Het onverwachte en unieke hebben eigenlijk meer kwaliteiten'. Alle ongeveer tweehonderdtachtig woningen, schrijven de architecten, alsof het precieze aantal beter niet geteld kan worden omdat zelfs dit nog te veel structuur zou zijn, zijn verschillend. Ze zijn niet verschillend ontworpen. Dat zou terugvoeren op gelijkelijke variatie. Alleen hun differentiatie of, zoals Gilles Deleuze het zou noemen, hun differenciatie (met een c), hun wording tot individu èn tot idee, is bepaald, op dezelfde manier als het blok als geheel is bepaald, door sommige woningen als holte en andere als volte te definiëren, sommige als leeszaal uitgesneden uit een zee van boeken, als lezen dat een boek afzondert uit een transcendentale stapel wijsheid, en andere als ongelezen boek. Er is een verglijdende reeks van volumes met vorm naar volumes zonder vorm. Zowel vormen als vormloze volumes worden louter symbolisch en niet of alleen in tweede instantie architectonisch begrepen en benoemd. Elk huis heeft zijn eigennaam. Zo hebben de gevormdste woningen, het 'Cross-house' en het 'Church-house' de meest symbolische vorm, een kruisvorm die als symbool ontheven is van zwaartekracht, terwijl ongevormde huizen in hun beweeglijkheid en vloeibaarheid, sluipend tussen vormen en sijpelend door gaten in de verdiepingen, worden aangeduid als 'slang', 'halfslang', 'trap' of 'lus'. Zo wordt het wonen zowel tot woning gedifferentieerd als tot idee dat het hele bouwwerk doortrekt, als een soep met wat de architecten 'ingrediënten van het wonen' noemen, 'houten bad-units, schachten van metselwerk, roestvrijstalen aanrechten en scheidingswanden van glas, hout en papier (...) gecompleteerd door de betonnen liftschachten, de kolommen en de stabiliteitsschijven'. Zelfs de meest barse architectonische elementen worden meubilair in een zee van wonen.
Hoewel het project niet anders doet dan de onbevangen kennis die bewoners nu eenmaal hebben van hun wijk aanspreken op de simpelste manier, zonder retoriek, was misschien een deel van de bepalingen te negatief of te veel uit het ongerijmde, te lateraal, te zijdelings, om zonder begeleidende retoriek te kunnen in een cultuur van bevangenheid. De Berlijners zagen het niet als monument van de wijk, als Stadtkrone van Prenzlauerberg, maar als muur, als ongewild Muurmonument. In vervolgopdracht gevraagd om met de beide andere prijswinnaars, Walter Noebel uit Berlijn en het Moskouse duo Dimitri Bersh en Alexander Khomyakov, het project in laagbouw uit te werken, zullen de architecten het er moeilijk mee hebben, in zo'n formalistisch-ideologisch team, aan hun geavanceerde Nederlandse architectuurbenadering vast te houden, hun hoogbouwschijf te veranderen in laagbouwschijf om hierin een nog verregaander begrip van bouwblok te formuleren, in plaats van een nostalgische restauratie van iets wat nooit geweest is. 



[1]  Joost Meuwissen, 'Rem Koolhaas in Europe'. Translated by John Rudge, Kunst & Museumjournaal, Volume 2, Number 3, 1990 (Amsterdam: Foundation Internationaal Kunst- en Museumtijdschrift, 1990), 44-49.


Tags for this post:
berlin
mvrdv
square

0 comment(s)
Blog posts   << Previous post | Next post >>