Blog posts   << Previous post | Next post >>

Post

Posted 08 Oct 1988

Joost Meuwissen, Kunst en bouwkunst. Voorwoord bij de tentoonstelling BeeldendeBouw van Carry Blase, Ton van Dalen, Henk Dicke, Peter v.d. Eijnden, Arthur v.d. Hoek, Karla Kaper, Rob Maingay en Pascale Robers op 8 oktober 1988 in de Academie van Bouwkunst Amsterdam.

Kunst en bouwkunst

Joost Meuwissen

Ik mag opmerken dat de vergelijking van beeldende kunst en bouwkunst meestal ten koste van de laatste gaat. In veel klassieke esthetica, die een rangorde van de kunsten bepaalde, kwam de bouwkunst niet zelden onderaan de lijst te prijken. Het bouwwerk werd wel letterlijk te zwaar geacht om een idee te representeren. (Er zijn uitzonderingen, er zijn altijd uitzonderingen, soms werd de bouwkunst als geheel uitgezonderd en verdween ze uit het systeem van de filosofie.) Volgens Edmund Husserl kon het kunstwerk wel object van denken zijn, maar architectuur, werktuigen en gebruiksvoorwerpen niet. Zelfs de moderne kunstbeschouwing zag het bouwwerk als iets toegepasts, als een verregaander verwezenlijkingsmogelijkheid van een esthetisch idee. Het bouwwerk als uitbreiding van het kunstwerk, nooit andersom. Vandaar misschien dat het ornament in de architectuur, die eigen kunstzinnige articulering van het bouwwerk, met zoveel hoon werd verbannen. Het bouwwerk moest beschikbaar worden. Het bouwwerk moest tijdelijk zijn. Een kunstwerk verkopen teneinde een bouwwerk te behouden werd door velen als een daad van cultuurbarbarij gezien.
Dat de discussie over het modernisme inmiddels is weggeëbd en de architectuur nu ook als kunst erkend
wordt, kan niet verhelen dat de architectonische wendingen die in de kunst van vandaag worden benut niet als bij uitstek kunstzinnig worden gezien binnen de architectuur of, in ieder geval, in de bouwkunst altijd een zekere kwantitatieve strekking en geen kwalitatieve waarde hebben gehad. Dit is een moeilijk punt, omdat het een romantische fusie van de verschillende soorten kunst uitsluit en tegelijkertijd, in de sfeer van glasnost, de zelfstandigheid van de kunsten ten opzichte van elkaar betwist, een openheid veronderstelt, een zekere dilettanterigheid accepteert en bouwwerk of kunstwerk definieert als een soort rest van omlijsting rond een mentaal of immaterieel gegeven. Kunst is niet meer de sculpturale figuur die door meesterhand wordt aangetroffen binnen in een steen. Kunst is die steen.
Er is, in sommige beeldhouwkunst, een bijna scheikundige nadruk op het materiaal, de stof, die als het ware momentaan en anoniem lijken te ontstaan, te stollen, volgens een chemische reactie waaraan geen mensenhand meer te pas komt. Juist door de hoofdrol van het materiaal laat deze beeldhouwkunst het ambacht achter zich dat haar zo lang was blijven aankleven. Een 'lof van de hand' spreken zou thans absurd zijn. Ook reikt de alchemie verder dan het materiaal. Ze overwoekert de vorm. De kunstenaar is afwezig. In het resultaat is de herkomst niet meer te bespeuren. Het kunstwerk is een midden, zonder begin of eind. Wat telt is de mate van materialiteit.
Hierbij komt een frontaliteit van het beeld, die de natuurlijke ruimte van de waarneming lijkt te ontkennen, ten gunste van de sacraliteit van ikoon en fetisj. Het kunstwerk onttrekt zich in hoge mate aan waarneming of tenminste, het lijkt geen brug meer te vormen, geen medium, geen synthese, tussen waarnemingsbeeld en denkbeeld. De positie van de beschouwer is wankel. Die van de denker is hechter maar betreft dan ook meer de ruimte 'tussen' verschillende werken, vanuit de overweging dat een kunstwerk zichzelf niet patent als kunstwerk hoeft te afficheren om er een te zijn en omgekeerd, dat het er een is ook al wijst niemand het als zodanig aan. Zulke werken zijn dan moeilijk te begrijpen, niet omdat ze hermetisch zouden zijn, een in zichzelf besloten reservoir van betekenissen, een gesloten boek, integendeel, juist omdat ze zo open zijn is hun vorm aIleen maar te appreciëren vanuit het volgen van hun inhoud, hun zin, hun strekking, die niet kan worden waargenomen maar alleen gedacht. Daarom vermijden zulke kunstwerken het zichzelf aan te dienen, zelfs binnen hun eigen traditie. Een beeldhouwwerk wil niet ruimteIijk zijn, een schilderij niet vlak. Al in de pop art is de afbeelding een frontaliteit en daarmee, naar mijn mening, eigenlijk een verregaander abstractie van het kunstwerk dan in de abstracte kunst en het abstract expressionisme van die jaren mogelijk was geweest. Juist echter door de herintroductie van de afbeelding in het kader van een iconologisering van het dagelijkse leven blijft de frontaliteit een kwantitatief gegeven, waarvan, voor de bepaling en zingeving van de mentale inhoud van het kunstwerk, alleen de mate van toepassing telt.
Dit is ook het geval met de abstracte vormen zelf, die eerder lijken op een afbeelding van meetkundige vormen dan op die meetkundige vormen zelf. Al het feit dat sprake is, in wat genoemd is de Nieuwe Geometrie, van meetkunde duidt erop dat abstractie niet meer een streven
is naar een algemeen geldige kunstzinnige taal, een structuur die gaandeweg alle elementen van de beeldende kunst – kleur, textuur, voorstelling enz. – autonomer en intenser zou kunnen maken, maar een gegeven is dat wordt berekend en toegediend per werk, in een bepaalde dosering, tenminste, als gedoseerd verschijnt. Zo bezien is ze even werkzaam in de meetkundige vormen van veel huidige beeldende kunst als in de wildheid van veel andere.
In al deze gevallen betreft het thema´s die om twee redenen als architectonisch kunnen worden gekenschetst. In de eerste plaats zijn materialiteit, frontaliteit en abstractie (tenminste in de conventionele betekenis van gebrek aan of afstand van afbeelding) eigenschappen die in de architectuur al veel langer als nu eenmaal gegeven, dat wil zeggen als voorwaarde, kwantitatief werden behandeld, als middel tot waardebepaling op andere aspecten, als dwang tot het bepalen van inhoud in immateriële zin, niet door of in het werk, maar in de ruimte (of leegte) die het werk zichzelf ermee bood. In de tweede plaats heeft dit ertoe geleid dat in de bouwkunst de kennis van deze gegevens is verzelfstandigd, los van de bouwwerken, in een traditie van handboeken en tractaten waarin deze gegevens als vorm worden besproken, behandeld en geformaliseerd, een traditie die vanuit de middeleeuwen eigenlijk ongebroken is en waarin de burgerlijke vervreemding noch het modernisme een bres heeft geslagen – anders dus dan in de beeldende kunst. Het modernisme in de architectuur leidt slechts tot individualisering van deze kennisvormen. Terwijl de beeldende kunst zich nu, wat betreft haar kennisvormen, moet behelpen met hulpeloze individuele referenties aan alchemie, kabbala en bijbel, heeft de bouwkunst individualiteit (de individualiteit van de architect) weten in te bedden in haar kennisvormen, wat een nieuwe impuls heeft gegeven aan de vertheoretisering waarin de bouwkunst, deze wellicht fundamentele maar in de cultuur niet altijd even erkende en evidente kunstvorm, in het verleden steeds haar mogelijkheid heeft gevonden. Het bouwwerk is zwaar, symmetrisch en zonder afbeelding. Wat in de huidige beeldende kunst alleen in het kunstwerk zelf kan worden bepaald, en moet worden bepaald – de mate van materialiteit, de mate van frontaliteit, de mate van abstractie – verschijnt in het bouwwerk als een haast toevallige, vrije keuze. Door haar traditie van kwantificering en formalisering is de architectuur thans beter in staat de mentale inhoud, het immateriële, haar zin, uit te drukken in haar eigen medium of tenminste, te accepteren dat ze er een adequate omlijsting van kan zijn. Ze hoeft het gevaar niet te schuwen daarmee in het immateriële volledig te verdwijnen. Gezien het feit dat haar voortgang volledig wordt gewaarborgd door haar denken, haar theorie, kan ze daar zelfs naar streven.
Het immateriële, de inhoud, de inexistentie, raakt in de bouwkunst het denken, in de beeldende kunst de techniek of het medium. De architectuur is kunst, de beeldende kunst ambacht.


Tags for this post:
art

0 comment(s)
Blog posts   << Previous post | Next post >>