Blog posts   << Previous post | Next post >>
Rem Koolhaas, Willems tower and housing slab design, Boompjes, Rotterdam, 1980-1982. View from the east, facing Willem Molenbroek´s Witte Huis from 1897-1898.
© Perspective drawing by Madelon Vriesendorp. Courtesy of the Office for Metropolitan Architecture.
Willems Bridge Tower design diagrammes, 1981.
© Rem Koolhaas, Notitie oprichting Willems­brug 81 Wb 5 dd. 4/5/'81 (Rotterdam: The OMA Archive Collection).
Bottom left: Willems tower and housing slab design, Boompjes, Rotterdam, 1980-1982. Axonometry from the south.
© A+U Architecture and Urbanism 88:10, October 1988, No. 217 (Tokyo: A + U Publishing Co., 1988), 105.
Rem Koolhaas, Jan Voorberg, Herman de Kovel, Kees Christiaanse, Amsterdam-Noord – a Planning Study 1980-­81, perspective towards the city centre.
© OMA Projects 1978-1981 (London: The Architectural Association, 1981), 44.
Amsterdam-Noord – a Planning Study 1980-­81, preliminary scheme aerial view.
© OMA Projects 1978-1981 (London: The Architectural Association, 1981), 44.
Amsterdam-Noord – a Planning Study 1980-­81, final scheme, plan.
© A+U Architecture and Urbanism 88:10, October 1988, No. 217 (Tokyo: A + U Publishing Co., 1988), 58.
Johan Frederik Metzelaar, Domed prison at Arnhem, the Netherlands, 1882-1886, aerial photograph.
© Office for Metropolitan Architecture, Rem Koolhaas and Bruce Mau, Small, Medium, Large, Extra-Large. Edited by Jenniger Sigler, photography by Hans Werlemann (Rotterdam: 010 Publishers, 1995), 236.
Guards´ control post and canteen at the centre of the Arnhem prison building in 1979.
© Photograph by Hans Werlemann, from Office for Metropolitan Architecture, Rem Koolhaas and Bruce Mau, Small, Medium, Large, Extra-Large, 238.
Rem Koolhaas, Renovation study of a Panoptical Prison, Arnhem, the Netherlands, 1979-1981, section and plan.
© Office for Metropolitan Architecture, Rem Koolhaas and Bruce Mau, Small, Medium, Large, Extra-Large, 244.
Plan aerial view.
© Office for Metropolitan Architecture, Rem Koolhaas and Bruce Mau, Small, Medium, Large, Extra-Large, 246.
Diagramm of “expanding the public domain with two intersecting streets and maintaining the current surveillance system”.
© Rem Koolhaas, Studie om in hoofdlijnen na te gaan of het bestaande Huis van Bewaring De Koepel te Arnhem bruikbaar kan worden gemaakt voor een tijdsduur van circa 50 jaar, see footnote 18.
Rem Koolhaas, Willems Bridge Tower design, Boompjes, Rotterdam, 1980-1982. View from the west.
© Rem Koolhaas, Notitie oprichting Willems­brug 81 Wb 5 dd. 4/5/'81 (Rotterdam: The OMA Archive Collection).
Rem Koolhaas, Willems Bridge Tower design, Boompjes, Rotterdam, 1980-1982. Ground floor plan.
© Rem Koolhaas, Notitie oprichting Willems­brug 81 Wb 5 dd. 4/5/'81 (Rotterdam: The OMA Archive Collection).

Post

Posted 01 Feb 1982

deutsch

Joost Meuwissen, ‘Delirious Rotterdam’, Plan onafhankelijk maandblad voor ontwerp en omgeving, jaargang 13, 1982|2, februari 1982 (Rijswijk: Stam Tijdschriften, 1982), 8-9.

[8]
Delirious Rotterdam

Joost Meuwissen

Eupalinos vond dat gebouwen moes­ten zingen en er zijn ook bouwwerken bekend die fluisteren of murmelen als de zee. In Rotterdam Iijkt tegenwoordig alles wat dikker te worden aangezet en de opgetrokken bouwsels zullen er ‘roepen’. Als men er een brug die haar jaren heeft uitgediend overeind zet – wat op zichzelf al een curieuze bezig­heid is – dan roept deze brug ons toe, maar omdat een aanroep in Holland zelden van iets anders dan van de kan­sel komt en er weinig traditie is in overi­ge retorica, galmt ook deze arme, te vroeg uitgetreden Willemsbrug eenzelf­de eeuwig carillon: Met zijn beladen geschiedenis zal het uitroepteken van de rechtopgezette brug een symbool zijn naar twee kanten: manifest en stimulans van huidige en toekomstige idealen, maar ook dagelijks gebruikt monument. Hemel en aarde! Door de brug recht overeind te zetten wordt te­gelijkertijd het verleden levend gehou­den en de toekomst aangekondigd, zo­niet metterdaad begonnen[1]. Rotterdam is een dynamische stad. De toekomst komt er niet vanzelf, maar wordt ‘metter­daad aangevangen.
Het project van de oprichting van de Willems­brug is in het oeuvre van Rem Koolhaas een toespitsing van de moeilijkheid die de re­cente Nederlandse opdrachten zijn denken opleveren. De woningbouwopdracht in Rot­terdam[2] en de stedenbouwkundige studie voor Amsterdam-Noord[3] zijn oefeningen in een soort stedenbouwkundige vorm. Programmatisch is er weinig aan te beleven, ter­wijl nu Koolhaas' interesse steeds het pro­gramma heeft gegolden en juist niet de vorm.
De praktijk van Nederlandse woningbouw­projecten staat diametraal tegenover Kool­haas' uitgangspunten. De programma's voor woningen zijn vanwege de subsidiërings­procedures goeddeels gefixeerd en er is voor de architectuur ervan alleen een forma­lisme weggelegd dat Koolhaas afwijst. Ook de inhouden waarmee het Nederlandse ‘structuralisme’ zijn vormen heeft willen op­tuigen, Hertzbergers uitnodiging aan de melkman dat deze de melkfles op een be­tonnen uitstulping naast de voordeur zet, heeft Koolhaas als een blamerende reductie van de relaties van menselijk leven van de hand gewezen[4]. Anderzijds is juist het ‘gro­teske urbanisme[5] van het ‘structuralismeprogrammatisch geweest, met nadruk op door zinloze variëteit gedwongen gemeen­schap en het soort gezelligheid van de lam­me met de dove in de tot ‘onleesbaarheid’ gefragmenteerde kleinschalige “instellin­gen[6]. Voor Koolhaas is stedenbouw geen schaalniveau waarop activiteiten kunnen worden gepland, het is eenvoudig te groot om niet dwingend te worden als je het toch zou willen.

Wachten op de betekenis
Stedenbouw en architectuur zijn bij Koolhaas gescheiden bezigheden, maar veel houdt stedebouw niet in. Procedureel gezien is hij een schematische architectuur, een voorzorgsmaatregel of vingeroefening. Inhoude­lijk gezien lijken er slechts uitzichten en uitzichtspunten te bestaan. Zo geeft het ont­werp voor Amsterdam-Noord een vista, met zijcoulissen en weinig meer dan dit. “Deze oefening”, aldus de toelichting, “is een unie­ke ervaring geweest in die zin dat we plan­ners zijn en geen architecten” (en je gunt de ontwerpers hun unieke ervaring!) “en dat daarom het project schematisch moest blij­ven[7]. Moest het project schematisch blijven omdat het voor deze ontwerpers de eerste keer is geweest dat ze iets aan planning deden? Of vinden de ontwerpers dat plan­ning altijd schematisch zou ‘moeten’ zijn? Je weet het niet.
Zeker is wel, dat de nadruk op het literaire, inhoudelijke karakter van architectonische werken op stedenbouwkundige schaal een procedure veronderstelt, die in de beleids­voorbereiding van stadsdelen weinig gang­baar is, behalve misschien in Rotterdam[8]. Maar het argument blijft architectonisch. “Ik geloof”, zegt Koolhaas, “dat gebouwen boven een bepaalde schaal onherroepelijk literaire thema's nodig hebben, die met an­dere dan met puur architectonische midde­len worden gerealiseerd[9]. Het literaire the­ma is dus niet louter een activiteit die in het programma van eisen beschreven zou kun­nen worden en zoals alle programmatische aspecten zou worden ‘verwezenlijkt’ met ar­chitectonische middelen. Je zou kunnen zeggen dat als een bouwwerk van enige om­vang of een stebouwkundig geheel wordt ‘gerealiseerd’, dat er dan altijd iets aanwezig is dat nog niet is ‘gerealiseerd’, maar juist op realisering wacht, een virtueel ‘literair the­ma’ dat bij verrassing zou kunnen worden ontdekt. Een gebouwd complex heeft in het

[9]
stedelijk leven geen gefixeerde betekenis, maar verschijnt bij Koolhaas als “een reper­toir van vormen en activiteiten die een moge­lijke betekenis afwachten[10]. Het thema is daarom ‘literair’, dat wil zeggen niet vanzelf in het bouwwerk gegeven, maar erin “ver­borgen”, omdat er geen extern waarheids­model is voor de afleesbare betekenis van bouwwerken[11] en omdat Koolhaas zich niet vergenoegt met een betekenisverlening op grond van gangbare conventies. In het laat­ste geval komt men immers veelal tot flauwe en zinloze metaforen, zoals wanneer je als Charles Jencks de kapel te Ronchamps ziet als een nonnenkap[12].
Er is geen waarheid en geen conventiona­lisme in de specifiek architectonische betekenisverlening. In zoverre is Myriam Daru te categorisch wanneer zij over Koolhaas' New-York-appreciatie stelt: “De gebouwen krijgen een ziel en een persoonlijkheid, hun vorm is onafscheidbaar verbonden met hun inhoud[13], want de inhoud is juist wezenlijk te scheiden van de vorm. De inhoud, of de betekenis, is onderdeel van een proces van betekenisverlening dat werkt met hypothe­sevorming en falsificering.

Popper
Koolhaas' architectonisch betekenisverle­ningsproces is deels ontleend aan de kri­tisch-paranoïde methode van Salvador Dali, deels en vooral aan de kennistheorie van Karl Popper. Dali's ‘zienswijze’ van de veelal erotische, maar verborgen zin van burger­lijke vormen voert tot ‘nieuwe feiten’ die in het zicht van de moreel beperkte burgerlijke betekenisverlening essentieel ‘verkeerd’ zijn: “Deze onjuiste feiten verhouden zich tot de werkelijke wereld als spionnen tot een gegeven samenleving: hoe conventioneler en onopgemerkter hun bestaan is, des te be­ter kunnen ze zich wijden aan de vernieti­ging van deze samenleving[14] of aan de door Koolhaas omarmde “uitholling” van de Europe­se binnensteden[15]. Het verborgen verlan­gen mag destructief zijn, eenmaal tot de evidentie van een feit verheven kan het, in de onopgemerktheid van een vorm tussen vele vormen, als het ware in ‘vorm’ vermomd, zijn vernietigende werking des te sterker uit­oefenen, totdat het wordt weerlegd.
Dali's methode verschilt echter weinig van die van Popper volgens wie een hypothese zolang geldig is tot zij wordt weerlegd. Als Koolhaas echter bij Popper het werkelijk ‘utopisch’ gehalte van de hypothese, haar ‘gestrengheid’ en een ‘dramatiek’ in de weer­legging mist[16], dan is Popper niet goed gelezen. Juist bij Popper is het de onwaarschijnlijkste hypothese die de groot­ste kennis oplevert en wier weerlegging het dramatisch sluitstuk vormt van een haast middeleeuwse moraliteit die begint bij de gewaagde hypothese en haar hoofse moed: de utopie is bij Popper geen verhaal, maar een moraal, en de koningin van Engeland heeft hem daarvoor tot ridder geslagen. Ze zal het eerlang ook met Koolhaas doen.
Alleen door de speculatieve reconstructie van een volmaakt Manhattan kunnen de monumentale successen en mislukkingen ervan worden gelezen[17]. De werkwijze kent twee stadia: speculatieve reconstructie (hy­pothese) en een evaluerende lectuur van de feiten op het moment dat de hypothese een van deze feiten is geworden. De ‘moed’ à la Popper is zèlf een empirisch gegeven. Maar de vraag is natuurlijk op grond waarvan in het procédé succes en mislukking worden beoordeeld. Niet op grond van de hypo­these, deze moet immers worden gefalsifi­ceerd?
De studie voor de renovatie van de koepel­gevangenis te Arnhem[18] toont Koolhaas' werkwijze het compactst. Stel, de koepel­gevangenis is een panopticum volgens het principe door Jeremy Bentham aan het eind van de achttiende eeuw ontwikkeld, waarin een bewaker, in het midden van de cirkel gezeten, door de traliedeuren alle omrin­gende cellen kan begluren. Het is een hypo­these met een grote onwaarschijnlijkheids­graad, want van de Arnhemse koepel uit 1882 zijn de celdeuren massief en is de ron­de vorm gekozen op grond van besparing op materiaalkosten[19]. Stel, de Arnhemse koe­pel was door Jeremy Bentham ontworpen en niet door Johan Frederik Metzelaar. Dit onjuiste feit neemt zijn plaats in tussen de kloppende gegevens via een ontwerp van Rem Koolhaas. Op grond van deze speculatieve reconstructie van een volmaakte Arnhemse koepel lezen we zijn succes en mislukking. Hoe? Omdat succes en mislukking identiek zijn, omdat Benthams idee, zijn ‘hypothese’ wordt weer­legd in de eerste ‘volmaakte’ realisering er­van. Ofwel de bewaker is zichtbaar en wordt dan door de gevangenen geobserveerd, zo­als in Arnhem in werkelijkheid het geval was. Ofwel de bewaker is onzichtbaar in de duis­ternis van zijn observatiepost, maar kan dan net zo goed slapen of zelfs geheel afwezig zijn. Het is omdat bij Bentham de discipline­ring van de gevangenen door continue obser­vatie het centrale principe is, waardoor de gebouwde vorm van dit principe te ideëel is om rekening te houden met andere facto­ren, zoals het welzijn van de cipiers. Dat wil zeggen dat het ‘literaire thema’, dat in de Arnhemse koepel niet met architectonische middelen wordt gerealiseerd, het gaan en komen van de cipiers is, over het enorme cirkelvormig vlak dat het podium is voor het amfitheater van de cellen. Maar eenmaal ge­zien als plattegrond van gaan en komen – en de plattegrond is in de architectuur van “pri­mair belang” omdat “alle activiteiten (...) erop worden uitgevoerd[20] – is het grondvlak van de koepel natuurlijk veel uitgebreider. Wan­neer de cirkelvormige ruimte daadwerkelijk voor ‘activiteiten’ wordt benut, is haar ronde vorm zinloos. Zij wordt in het voorstel van Koolhaas een deel van een plattegrondvlak dat zich veel wijder uitstrekt.
Koolhaas' reconstruerende oplossing be­staat uit twee elementen: een restauratie van het extensieve karakter van Benthams grondvlak, dat zich ook buiten de volmaakte koepelvorm uitstrekt en zich aanbiedt als een plattegrond waarop de nog niet met ar­chitectonische middelen gerealiseerde ac­tiviteiten kunnen worden ingeschreven of “uitgekrast”; en de inschrijving zelf van Bent­hams ‘verborgen’ literaire thema in de platte­grond door het verzonken kruispunt van de cir­culatiewegen. Het laatste geeft tegelijk een oplossing voor Benthams raadsel hoe de on­zichtbare cipier zijn centrale observatiepost op onzichtbare wijze heeft kunnen berei­ken.

Totdat de deur eindelijk opengaat
Deze architectuur van “recycling[21] of “revi­sie[22] van bestaande bouwwerken en hun li­terair verlangen ontmoet natuurlijk vaak de moeilijkheid dat de literaire thema's te ver­borgen of te complex zijn om zelfs maar spe­culatief te worden gereconstrueerd, zoals in de binnensteden van Amsterdam of Rotter­dam. Er is geen ‘volmaakt’ Rotterdam te be­denken. Hier zijn alleen verschillen en ab­stracte gegevens, zoals het ‘assenstelsel’ Maas-oeververbinding of de ‘ruit’ van het wederopbouwcentrum. Wiskundige literaire thema's voeren tot een wiskundige reconstructie, de plaats van de op te richten Wil­lemsbrug als “scharnierpunt” van assenstel­sel en ruit, als rotatiepunt waar ook de brug zelf omhoog wordt gescharnierd. Als het Basisplan uit 1946 het centrum over de oude havens heen een ‘venster op de rivier’ heeft willen verschaffen, dan krijgt Rotter­dam met de ‘Willemstoren’ eerder de pie­pende schuurdeur die het verdient. Het is een “ontsnapping[23] aan de schijfbouwsels van het ‘moderne’ centrum, door Koolhaas zelf nog eens in een flatgebouw aan de Maasboulevard ‘gereconstrueerd’ (het wo­ningbouwproject waarvan de brug-toren een ontglippend deel is), om terecht te ko­men in romantische dromen on the water­front. Van de principieel ongereinigde brug, ‘zoals zij werkelijk was’ daalt op warme da­gen een regen van teerklodders neer op het publiek. Het is de sensatie van op een schar­nierpunt ‘verblijven’.


[1]  Rem Koolhaas, ‘Inleiding’, Notitie oprichting Willems­brug 81 Wb 5 dd. 4/5/'81. Typoscript (Rotterdam: The OMA Archive Collection).

[2]  Rem Koolhaas, Stefano de Martino, Kees Christiaanse­, ‘Two Structures for Rotterdam 1980-1981’, OMA Projects 1978-1981 (London: The Architectural Association, 1981), 39-42.

[3]  Rem Koolhaas, Jan Voorberg, Herman de Kovel, Kees Christiaanse, ‘Amsterdam-Noord – a Planning Study 1980-­81’, OMA Projects, 43-44.

[4]  Hans van Dijk, ‘Rem Koolhaas interview’, Wonen-TA/BK tijdschrift voor huisvesting en omgeving, nr. 11 – juni 1978 (Hilversum: Uitgeverij C. De Boer jr., [1978]), 17-20.

[5]  Rem Koolhaas, ‘Wat betreft de Bijlmer’, Bijlmerstrip, Tweeëntwin­tig projecten een voorstel. Samengesteld door Marc a Campo, Herman de Kovel, Myrjan Marijnissen, Joris Mole­naar, Peter Sas ([Delft]: Afdeling der bouwkunde van de TH Delft, [1977]), 3-5; Rem Koolhaas, ‘Bijlmerstrip’, Werk-Archi­these, Vol. 64 No. 5 Mai 1977 (Niederteufen: Verlag A. Niggli, [1977]), 17-19.

[6]  Rem Koolhaas, ‘OMA Urban Intervention: Dutch Parlia­ment Extension, The Hague’, International Architect. An international review of architectural projects, theory, practice and criticism, Number 3/Volume 1/issue 3/1980 (London: Fumehurst Limited, 1980), 47-60.

[7]  Rem Koolhaas, Jan Voorberg, 43.

[8]  namelijk in de wederopneming aldaar van het in onbruik geraakte Gedetailleerd Stedenbouwkundig Plan (GeSP) in de planning: Umberto Barbieri en Cees Boekraad, ‘Gouden tijden voor Stadsontwikkeling’, Stedebouw in Rotterdam, Plannen en opstellen 1940-1981. Redactie: Umberto Bar­bieri, Roy Bijhouwer, Anne-Mie Devolder, Stefan Gall, Albert van Hattum, Hans Kuiper, Max Lampe, Jacques Nycolaas en Wim Wang (Amsterdam: Uitgeverij en boekhandel Van Gennep BV, 1981), 164-167.

[9]  Hans van Dijk, 18.

[10]  Bernard Tschumi, ‘On Delirious New York: A Critique of Critiques. Review’, International Architect. An international review of architectural projects, theory, practice and criticism, Number 3/Volume 1/issue 3/1980 (London: Fumehurst Limited, 1980), 68-69.

[11]  Rem Koolhaas, Delirious New York. A Retroactive Mani­festo for Manhattan (Londen: Thames and Hudson, 1978), 201-202.

[12]  Hans van Dijk, 18.

[13]  Myriam Daru, ‘Het functionalisme is niet dood, want het heeft nog tegenstanders’, Plan maandblad voor ontwerp en omgeving, jaargang 8, 1977|4, april 1977 (Rijswijk: Stam Tijdschriften, 1977), 7-31 bij een presentatie van Koolhaas' Newyorkse projecten.

[14]  Rem Koolhaas, Delirious New York, 202.

[15]  Hans van Dijk, 18.

[16]  Rem Koolhaas, OMA Urban Intervention, 48.

[17]  Rem Koolhaas, Delirious New York, 7.

[18]  Rem Koolhaas, ´Studie om in hoofdlijnen na te gaan of het bestaande Huis van Bewaring De Koepel te Arnhem bruikbaar kan worden gemaakt voor een tijdsduur van circa 50 jaar, rekening houdend met huidige inzichten betreffen­de de huisvesting van gedetineerden´. Verricht voor de Rijks­gebouwendienst, Den Haag, door Rem Koolhaas, Architect. Londen. Maart 1980. Typoscript (Rotterdam: The OMA Archive Collection); Rem Koolhaas, ‘Een ont­werp voor de gevangenis te Arnhem’, Lessen in architectuur – 2. Tweede leergang Lessen in Archi­tectuur, gehouden op 8 en 9 oktober 1980 in de Aula van de Technische Hogeschool te Delft. Redactie: Joost Meuwissen (Delft: Stichting Postdoktoraal Onderwijs in het bouwen, [1981]), 92-105.

[19]  Mark Adang, ‘Gevangenisbouw in Nederland, De zin van straf en de hoogte van de kosten’, Wonen-TA/BK Tijdschrift voor architectuur, stedebouw en beeldende kunst, augustus 15ǀ81 (Deventer: Van Loghum Slaterus, [1981]), 6-26.

[20]  Arthur Tappan North, Raymond M Hood (New York: Whittlesey House, 1931), 8; Rem Koolhaas, Delirious New York, 130; Rem Koolhaas, OMA Urban Intervention, 60; Rem Koolhaas, ‘Our ‘New Sobriety’’, OMA Projects, 9-10.

[21]  Rem Koolhaas, Delirious New York, 203.

[22]  Rem Koolhaas, Studie, 9; Rem Koolhaas, Een ontwerp, 104.

[23]  Rem Koolhaas, Stefano de Martino, 40.


Tags for this post:
amsterdam
arnhem
koolhaas rem 1970s
panopticon
prison
rotterdam
van den bergh wim

0 comment(s)
Blog posts   << Previous post | Next post >>